12 Augustus 2021

'Ramsy Nasr neemt zijn ervaring niet serieus'

Ga naar overzicht

Deel op:

amsey Nasr pleit er in zijn geprezen pamflet 'De fundamenten’ terecht voor om de mens niet meer als centrum van de wereld te zien. Maar hij lijkt zijn eigen pleidooi niet serieus te nemen, vindt Erik Borgman. Een beschouwing.

door Erik Borgman o.p.

Het was mij van meerdere kanten aangeraden en dit weekend las ik daadwerkelijk De fundamenten van kunstenaar – acteur, dichter en regisseur – Ramsey Nasr. Dit pamfletachtig essay gaat over wat wij tijdens de coronaperiode niet gedaan hebben en volgens Nasr wel hadden moeten doen: nadenken over de kwetsbaarheid van het leven die door het coronavirus zo onontkoombaar aan het licht is gebracht. En die kwetsbaarheid vervolgens ook serieus nemen bij de inrichting van ons bestaan.

Dat het feit dat wij dit niet doen een niet te excuseren verzuim betekent, zoals Nasr meent, is mij uit het hart gegrepen en ik deel ook Nasrs overtuiging dat wij moeten ophouden onszelf te zien als het centrum van alles. Alsof wij zouden kunnen of mogen bepalen wat er gebeurt en al het andere aan onze plannen ondergeschikt is. Die opstelling heeft tot een onaanvaardbare aantasting van de aarde geleid, stelt Nasr, en eraan vasthouden zal volgens alle berekeningen leiden tot regelrechte vernietiging.

Het lastige is echter dat Nasr suggereert dat deze dreigende vernietiging de reden zou moeten zijn om ons gedrag te veranderen. Uit welbegrepen eigenbelang. Dat is wat mij betreft zoiets als iemand aanraden te zoeken naar een partner die haar of hem bemint, omdat dit beter is voor de gezondheid. Pas als jij bereid bent iemand anders zozeer te beminnen dat je accepteert dat dit ten koste kan gaan van je gezondheid, bestaat de kans dat je werkelijk zult worden bemind. Pas dan krijg je misschien, als bonus, een betere gezondheid erbij.

Maar Ramsey Nasr schaamt zich een beetje voor deze ervaring. Hij beschouwt het niet als argument

Welbegrepen eigenbelang is voor Nasr ook helemaal niet de reden om te breken met de menselijke arrogantie. De echte reden is een ervaring van de grootsheid van de natuur die hij opdeed op de Zuidpool. Te midden van de onmetelijke witte ijs- en sneeuwvlakte ervoer hij zijn eigen nietigheid en dat hij in geen enkel opzicht het centrum van de wereld was. Het deed er hier helemaal niet toe dat hij er was. Hij kon niets aan de situatie veranderen en er op geen enkele manier zijn stempel op drukken. Als kunstenaar vond hij dat moeilijk te verkroppen, want kunstenaars willen juist wel hun stempel op de wereld drukken. Door de schoonheid ervan te vergroten, bijvoorbeeld.

Maar Ramsey Nasr schaamt zich een beetje voor deze ervaring. Hij beschouwt het niet als argument. Daarom komt hij op de proppen met het eigenbelang, dat hij uitbreidt naar het belang van onze kinderen en kleinkinderen. Dat is rationeel. En hij komt met de verdelende rechtvaardigheid. Wat wij voor onszelf opeisen kunnen we anderen niet weigeren, stelt hij, en tegelijkertijd weten wij dat de aarde niet kan verdragen dat iedereen zo zou leven als wij.

Deze dubbele overtuiging deel ik wel, maar ik vind het gegeven de wereldsituatie nogal vreemd om te doen alsof het om een vanzelfsprekend inzicht gaat. Het inzicht ontstaat pas als wij inzien dat anderen zijn zoals wijzelf. Dat wij niet alleen anderen waarnemen en beoordelen, maar dat anderen ook ons waarnemen en beoordelen. Dat anderen dezelfde waarde hebben als wij en wij daarom niet in het centrum van de wereld staan. Precies de ervaring die Nasr opdeed, dus. Die is fundamenteel.

zuidpool

Zuidpool (foto Pixabay)

Ramsey Nasr verwoordt heel mooi wat het coronavirus met onze kennis over klimaatverandering en afname van biodiversiteit doet. Maar hij is tegelijkertijd niet in staat dat zelf helemaal serieus te nemen. Hij schrijft dat Covid-19 ons in het Westen doet voelen wat wij dankzij de wetenschap eigenlijk al weten: wij ervaren nu hoe de sterflijkheid op ons af dendert zonder enige rem. Daarmee maakt het virus ons bewust van iets nieuws: dat de wereld ook ons ervaart. We weten alles zó volkomen, zien de dingen zó helder allerwegen, zó glashard in onze face, dat de dingen ons stilaan beginnen terug te zien. We worden erin opgenomen als in een geweten (p. 96).

En enkele bladzijden later gaat hij nog verder als hij schrijft dat een kokkel misschien in zijn weer- en willoosheid betekenisloos lijkt, maar dat zijn belang juist groot is omdat hij geen verweer heeft tegenover onze grote waffel. Hij leeft daar ergens onder water en wij bezitten de macht ermee te doen wat wij willen. Maar hij ziet ons. Die kwetsbaarheid maakt hem belangrijk (p. 101).

Nasr baseert zijn visie op onze lotsverbondenheid met de natuur op Charles Darwins On the Origin of Species dat hij ‘het meest belangrijke boek ooit geschreven’ noemt. Maar Darwin tekent de natuur als een groot en eeuwig slagveld in de strijd van allen tegen allen waar niets er uiteindelijk nog toe doet. Het is deze visie op het bestaan als uiteindelijk chaotisch geweld, en niet de vermeende onverenigbaarheid van de evolutietheorie en het Bijbelse scheppingsverhaal, die Darwin tot de overtuiging bracht dat God niet kon bestaan.

Ramsey Nasr ervaart in wat de wereld door menselijk toedoen overkomt, een oproep tot bekering. Maar dat heeft in zijn wereldbeeld geen plaats

Ramsey Nasr (foto Wikicommons)

Darwin was de gedachte dat de kokkel in zijn kwetsbaarheid van betekenis zou zijn volkomen vreemd, evenals het idee dat de kokkel ons zou zien, dat de last en de dreiging die hij van de menselijke soort ondervindt een vorm van waarneming zou kunnen zijn die ertoe zou moeten leiden dat wij een geweten krijgen. Voor Darwin staat uiteindelijk ook het geweten in functie van het overleven en biedt het geen inzicht in wat werkelijk goed is of kwaad. Goed en kwaad bestaan naar zijn overtuiging uiteindelijk niet.

Ramsey Nasr hoort en ziet, ervaart in wat de wereld door menselijk toedoen overkomt, een oproep tot bekering. Maar omdat een dergelijke oproep in zijn wereldbeeld geen plaats heeft, vertaalt hij het in een oproep ons eigenbelang beter voor ogen te houden en ons over de pijnlijke aspecten heen te zetten die dit heeft. Hij lijkt nauwelijks te weten dat er levende tradities zijn die de mens niet in het centrum van de wereld plaatsen, maar zien als door de wereld aanspreekbaar in hun verantwoordelijkheid.

Voor zover hij dat weet, behandelt hij ze als irrelevant. Hij noemt het kruisbeeld, maar vindt dit uiteindelijk betekenisloos en geeft geen blijk van het inzicht dat daarin nu juist het belang wordt gesymboliseerd van de kwetsbaarheid van het lijden. In de kokkel protesteert God tegen onze minachting voor de natuur.

In de slachtoffers van onze manier van leven lijdt de Gezalfde Jezus en in het taaie verzet van de schepselen ertegen staat Hij op

Dit is hooguit in tweede instantie bedoeld als een verwijt aan Ramsey Nasr. Het is allereerst een verwijt aan degenen die invloed hebben op de wijze waarop de christelijke traditie wordt uitgelegd – waartoe ik mijzelf ook reken. Of misschien beter: het is een aansporing te laten zien dat de overgave en de toewijding die religie vormgeeft en waartoe de Bijbelse verkondiging opwekt, een weg vooruit wijzen.

In de slachtoffers van onze manier van leven lijdt de Gezalfde Jezus en in het taaie verzet van de schepselen ertegen staat Hij op, zoals paus Franciscus in 2015 schreef in de encycliek Laudato si’.

Dat brengt mij uiteindelijk bij het feest deze zondag van Dominicus, stichter van de dominicanenorde. De dominicaanse zending om te preken behelst niet de onmogelijke opdracht Gods aanwezigheid te brengen waar deze nu ontbreekt. Het is een manier om je toe te vertrouwen aan Gods Woord dat hoe dan ook van zich doet spreken, door je erop toe te leggen dat spreken te expliciteren. Ook te midden van de coronacrisis, de klimaatverandering en de aanslag op de biodiversiteit. Of beter gezegd: juist dan.

Erik Borgman

Deze tekst verscheen als column ‘tekenen des tijds’ bij het Utrechtse Huis van Dominicus