06 Februari 2021

Afscheid van het DSTS (1)

Ga naar overzicht

Deel op:

et Dominicaans Studiecentrum voor Theologie en Samenleving zocht ruim dertig jaar naar de balans tussen verschil en verbondenheid. Een portret in drie delen, als eerbetoon aan een bijzonder instituut.

door Arjan Broers

Leo Oosterveen in 1995, foto Peter Kusters

Leo Oosterveen o.p. weet het nog goed. Het was in de zomer van 1984 en hij zat te studeren in de grote bibliotheek van het Albertinum, het toenmalige moederhuis van de dominicanen in Nijmegen. ‘Medebroeder André Lascaris kwam langs en dropte een papier op mijn tafel’, vertelt hij. ‘Het ging over de oprichting van een eigen studiecentrum. Ik was sceptisch, want er waren sinds de jaren zeventig in de provincie al meer mooie ideeën op niks uitgelopen. Maar we gingen toch aan de slag.’

In die jaren vierde de polarisatie in de Nederlandse rk-kerk hoogtij, inclusief het mislukte pausbezoek in 1985 en de oprichting van de Acht Mei Beweging en het Contact Rooms-Katholieken. Ondertussen was de overheid fors aan het bezuinigen en reguleren, ook op de universiteiten, inclusief de maar liefst vijf KIWTO’s (katholieke instellingen voor wetenschappelijk theologisch onderwijs) in Amsterdam, Heerlen, Nijmegen, Tilburg en Utrecht.

De bisschoppen probeerden leerstellig en door benoemingen meer grip te krijgen op de ontwikkelingen in die instellingen. Ze hadden met name moeite met de doordenking van de bevrijdingstheologie uit Latijns-Amerika en van emanciperende bewegingen als het feminisme in de theologie.

André Lascaris o.p. in 1995

André Lascaris o.p. was destijds coprovinciaal (medebestuurder) van de Nederlandse dominicanen. Hij zag een studiecentrum voor zich dat vrij kon opereren, zowel ten opzichte van het kerkelijk leergezag als van de universiteit. Leo Oosterveen: ‘Het eigen studium van de dominicanen was opgeheven in 1969. André wilde een onderzoeksinstituut vormen dat midden in de samenleving stond.’

Er werd samenwerking gezocht met de door de bevrijdingstheologie geïnspireerde Vereniging voor Theologie en Maatschappij (VTM). Er werd een plan gemaakt dat in 1985 welwillend werd ontvangen door het kapittel van de Nederlandse dominicanen. Vanaf 1987 maakten vier broeders deel uit van de staf: André Lascaris en Leo Oosterveen werden ervoor vrijgesteld, en verder deden mee voormalig omroeppastor Hein Schaeffer en Ad Willems, die net in 1986 met emeritaat was gegaan als hoogleraar theologie.

albertinum

Albertinum in Nijmegen. Het DSTS zat links naast de kapel, onder schuin dak.

Daarnaast zouden er elke vier jaar tijdelijke onderzoekers worden aangesteld om de doorstroming van ideeën te stimuleren. Zij moesten bij voorkeur jong zijn en vertrouwd met nieuwe bewegingen. Het DSTS nam intrek in een verbouwd deel van het Albertinum, waar ook de redactie van tijdschrift de Bazuin kwam te zitten. De officiële opening was 19 maart 1988.

Een stroperig begin

‘Eigenlijk was het DSTS een laatkomer’, merkt Leo Oosterveen op. ‘De sociale bewegingen van de jaren zeventig waren al in een neergaande beweging, ook de VTM en de in 1985 opgerichte Acht Mei Beweging. Van meet af aan zaten we wat geïsoleerd tussen de academische theologie en krimpende bewegingen. We werden minder deel van een maatschappelijke voorhoede dan we aanvankelijk dachten. En dus moesten we ons zien te hervinden.’

Hein Schaeffer in een stand bij de Acht Mei Beweging in 1990

Dat gebeurde in de beste dominicaanse traditie met het inzetten van de eigen belangstelling en deskundigheid van de betrokkenen – om niet te zeggen: hun eigenwijsheid. Het verlangen was om ‘zo organisch mogelijk’ theologie te bedrijven, zo heette het.

André Lascaris werd een autoriteit op het denken van René Girard en bouwde daar een netwerk mee op. Ad Willems vertaalde een werk van Friedrich Schleiermacher. ‘Zelf was ik begin jaren negentig een tijd overspannen’, vertelt Leo Oosterveen. ‘Dat wakkerde mijn belangstelling aan voor de paradoxale kanten van de emancipatiebewegingen: hoe we onszelf ook kunnen onderdrukken of vast komen te zitten in een bepaald denken.’

De medewerkers werkten aan hun eigen onderzoek en schreven artikelen in bestaande bladen. Later werden er cahiers gemaakt: tussen 1995 en 2003 verscheen elk jaar een bundel met voor een breder publiek bedoelde theologische beschouwingen, meest geschreven door de stafleden.

'Wat we met elkaar wilden was niet vanzelfsprekend. Ik herinner me dan ook stevige discussies.'

Liesbeth Huijts, van 1988 tot 1992 samen met Harriet van de Vleuten de eerste ‘lichting’ junior-onderzoekers, heeft gemengde gevoelens bij haar herinneringen uit wat voor haar gevoel ‘een enorm ver verleden’ is. ‘Het was vanzelfsprekend dat de feministische theologie een onderdeel was van het DSTS’, vertelt ze. ‘Dat was in die tijd opmerkelijk. Maar wat we met elkaar wilden was niet vanzelfsprekend. Ik herinner me dan ook stevige discussies.’

Waar die discussies over gingen? ‘Wij waren twee tijdelijke, jonge, vrouwelijke onderzoekers in een theologische traditie van twintig jaar. De vier mannelijke dominicanen waren de vaste staf met een theologische traditie van eeuwen. Dat zorgde voor machtsongelijkheid. En laat daar nou net mijn onderzoek over gegaan zijn.’

Niet verwonderlijk misschien dat de tweede bundel van het DSTS de titel Theologie in fragmenten kreeg, een verwijzing ook naar het boek God in fragmenten van de Franse theoloog Jacques Pohier. Hij was een dominicaan die in conflict kwam met het leergezag en zijn taken als docent en priester moest neerleggen, en uiteindelijk de Orde der Predikers verliet. Zijn boek was een persoonlijke doordenking van de versplintering van het oude wereldbeeld, dat in de filosofie en theologie als postmodernisme werd bestudeerd.

'Voor mij als feministisch theologe was het logisch dat de waarheid in fragmenten lag'

Liesbeth Huijts: ‘Ik herinner me gesprekken met Ad Willems, die bedroefd was dat het ene gedeelde verhaal verdwenen was en bleef hopen dat het opnieuw zou komen. Voor mij als feministisch theologe was het logisch dat de waarheid in fragmenten lag. De geschiedenis van de 20e eeuw liet immers zien dat één overkoepelend verhaal gevaarlijk is.’

De cultuur van de democratisering, in de jaren zeventig opgekomen in kerk, samenleving en universiteit, bestond ook bij het DSTS. En dat betekende: lange wekelijkse gesprekken over elkaars onderzoeken en het gezamenlijke project. ‘Dat was stimulerend’, herinnert Huijts zich. ‘Anderzijds was het voor ons allemaal soms lastig om de eigen opvattingen ter discussie te stellen. Voor mij was het cruciaal om theologie te bedrijven vanuit de feministische beweging. Ik herinner me dat een van de broeders riep: “Is dit nog wel theologie?” Dat was pijnlijk. Uiteindelijk voelde ik me er niet veilig genoeg.’

Het fundament wordt gelegd

Manuela Kalsky, André Lascaris o.p. en Leo Oosterveen o.p. in 1995.

‘Misschien is de grootste verdienste van de eerste tijdelijke onderzoekers dat een niet-broeder en een feministisch-theologe een vaste aanstelling kreeg’, zegt Liesbeth Huijts. Dat gebeurde in 1993. Hein Schaeffer trad uit de Orde en Manuela Kalsky volgde hem op als staflid. In 1997 werd zij coördinator en enige tijd later directeur, wat ze tot op het laatst zou blijven. ‘Het is een beetje een levenswerk geworden’, zegt ze.

Kalsky was een onverwachte kandidaat. ‘Ik was niet katholiek, maar luthers. En ik was niet Nederlands: ik ben in Duitsland geboren en getogen en was in Marburg theologie gaan studeren. Ik kwam voor een jaar naar Amsterdam, maar dat liep anders. Ik bleef hier studeren en werd migrant. Ik had een baan nodig om een verblijfsvergunning te krijgen.’

Bij het sollicitatiegesprek was ze ook nog eens ziek, herinnert ze zich. ‘Ik voelde me echt belabberd, maar ging toch. André Lascaris ging een pot thee voor me zetten. Later zei hij: “Toen ik jouw brief had gelezen, wist ik dat jij het moest worden”. Hij wist ook dat ik voor hem de uitdaging was om over zijn anti-Duitse gevoelens heen te komen. Dat typeerde hem.’ Lascaris en Kalsky zouden intensief samenwerken en ook bevriend blijven, tot de dood van de founding father in de zomer van 2017.

‘Het DSTS was vanaf het begin uniek’, zegt Kalsky. ‘De lijn van de bevrijdingstheologie, van het feminisme en de dominicaanse spiritualiteit; de samenwerking tussen mannen en vrouwen, oecumenisch en in dialoog met zowel de academie als de samenleving: het kwam er allemaal in samen. De meeste studiecentra van religieuzen reflecteerden op de eigen identiteit, maar wij stonden net als de middeleeuwse dominicanen op het marktplein en keken om ons heen.’

begin-dsts-albertinum

André Lascaris, Erik Borgman, Leo Oosterveen, Ad Willems en Manuela Kalsky op de zolderverdieping van het Albertinum.

Kalsky bracht behalve vernieuwende theologie ook een ondernemende energie mee. ‘Het DSTS was wat naar binnen gericht’, zegt ze. ‘André had wel veel lezingen in het land, vanuit zijn vredeswerk en zijn kennis van het werk van Girard. Zelf had ik een netwerk in de feministische theologie, waar toen al veel postkoloniale vragen opkwamen. Ik was bezig met mijn proefschrift over de christologie vanuit feministisch-bevrijdingstheologisch perspectief. Die invalshoek riep veel vragen op over een louter door mannen gemaakte christologie, ook binnen het DSTS. Het was heel leerzaam.’

Marianne Merkx in 1994 (foto Peter Kusters)

Theologe Marianne Merkx, sinds 2014 lekendominicaan, werd in 1994 een van de junior-onderzoekers. Ze herinnert zich de eigenwijsheid en de broederschap van de dominicanen. ‘Ze waren heel verschillend, maar vlogen elkaar nooit in de haren. De grondtoon was er een van nieuwsgierigheid naar elkaar. Voor mij was dat iets nieuws: dat verschillen iets positiefs zijn.’

Ad Willems (overleden in 2015), had voor haar een coachende rol. ‘Ik solliciteerde met de verwachting onderzoek te leren doen. Ik voelde me een broekie, ook al was ik al dertig. Met Ad heb ik veel gesproken, hij was zorgzaam en gaf me ook het duwtje om zelf lezingen te gaan houden. Ik herinner me dat er sowieso ongelofelijk veel werd gepraat: vergaderen, verkennen, overleggen, conflicten uitpraten. Dat zou in deze tijd toch anders gaan.’

De werkwijze was dat er een thema werd gekozen en een cahier werd gemaakt, waaraan iedereen onder een eigen invalshoek een bijdrage leverde. Marianne Merkx: ‘Boeiend was dat we steeds zochten naar theologische taal voor deze tijd en dat we steeds probeerden om de beide kanten van tegenstellingen recht te doen: ik en wij, het heilige en het alledaagse. Het DSTS wilde op de brug staan tussen traditie en moderniteit. Niet om antwoorden te geven, maar om de vraag te leren kennen.’

Spanningen waren er ook, herinnert ze zich. ‘Het is eigenlijk heel bijzonder dat we theologisch weinig verschilden, een grote gemene deler hadden en elkaar vooral aanvulden en versterkten. Maar we verschilden wel erg in leefwijzen en persoonlijkheden en dat matchte niet altijd even goed. Inderdaad: dat sloot aan bij een van onze thema’s, versnipperde identiteiten en afbrokkelende verbanden. Maar we waren er vooral intellectueel mee bezig en konden het niet vertalen naar onze omgang. Dat heeft me wel dwars gezeten, maar ik ben dankbaar voor de ruimte die ik kreeg. En ik ben niet voor niets later lekendominicaan geworden: er is iets in mij doorgegaan.’

DSTS 1994-1998

Het DSTS en buurman in het Erasmusgebouw, halverwege de jaren '90. Boven, vlnr: Ad Willems, buurman Erik Borgman, Anne-Claire Mulder, Leo Oosterveen, Marianne Merkx. Onder: Jacqueline van Meurs (officemanager), Manuela Kalsky, André Lascaris.

Het eerste gezamenlijke vierjarige onderzoeksproject heette Ambivalenties van de postmoderniteit (1994-1998). Naast Marianne Merkx was Anne-Claire Mulder junior-onderzoeker, tegenwoordig is zij docent vrouwen- en genderstudies theologie aan de Protestantse Theologische Universiteit.

‘Ik was al 38 toen ik bij het DSTS begon’, zegt Anne-Claire Mulder. ‘Het was voor mij een mooie plek om verder aan mijn dissertatie te werken, een studie naar de feministisch filosofe Luce Irigaray. Het thema was hoe we moesten omgaan met de postmoderniteit, waarin er geen overkoepelend verhaal meer is dat samenhang brengt. Daar paste die dissertatie prima bij.’

In haar herinnering was het DSTS echt een centrum: ‘Een club mensen die dingen met elkaar deden. We waren verplicht minstens drie dagen aanwezig te zijn, we dronken koffie samen, lunchten samen, dronken thee in de middag. Soms was dat beperkt, soms dijden de pauzes uit omdat er gesprekken werden gevoerd. Daarbij waren vaak ook Erik Borgman en dominicaan Ted Schoof aanwezig, de eerste werkte aan een biografie van Edward Schillebeeckx, de tweede aan zijn bibliografie. Het was een levendige gemeenschap.’

'De latere grote projecten van het DSTS zijn in deze periode geworteld.'

Dominicaan Leo Oosterveen beschouwt dit eerste project als inhoudelijk het beste. ‘Op dat moment begon de samenleving voluit te discussiëren over verschil en identiteit. Door de komst van Manuela als staflid werd ons werk methodisch beter opgezet dan in de eerste jaren. We kwamen op eigen benen te staan. Ook letterlijk, want het Albertinum ging dicht en we gingen werken op het Erasmusgebouw van de Nijmeegse universiteit.’

Het naambord van het DSTS in 1988

In kerk en theologie werd in deze jaren nagedacht over het afbrokkelen van de kerkelijke instituties en het katholieke middenveld. Het DSTS zag dat in een breder verband. ‘Ons werk over emancipatie en postmoderniteit relativeerde dat’, zegt Leo Oosterveen, ‘we zagen dit als een veel bredere ontwikkeling. De latere grote projecten van het DSTS zijn in dit onderzoek geworteld: Reliflex, Nieuw Wij, Multiple Religious Belonging.’

Anne-Claire Mulder ziet er een duidelijke rode draad in. ‘Het gaat steeds om de zoektocht naar hoe je een gemeenschap vormt waarin verschil er mag zijn en zelfs het volle pond krijgt. Welke waarden en visies horen daarbij? Theologisch gesproken was het DSTS liberaal, in de zin dat niet tevoren vaststond welke woorden er gebruikt moesten worden om het over God te hebben. Het zoeken naar transcendentie werd vertaald met: wat is goed leven voor allen?’

Bij deze DSTS-thema’s, het zoeken naar waarheid in beweging, het omgaan met verschil en verbondenheid, hoort ook strijd. ‘Als je het verschil het volle pond geeft, dan hoort dat erbij’, zegt Mulder. ‘Maar ik heb daar zelf niet veel van gemerkt of last van gehad. Sterker nog: door als protestant voor een katholiek studiecentrum te werken werd ik me meer bewust van mijn protestant zijn én van het belang van de oecumene.’

Volgende week deel 2 van dit drieluik.

Eerder verschenen

10 december 2020
Leestijd 2 min

Opheffing dominicaans studiecentrum DSTS

Lees meer