30 Juni 2015

Vijf eeuwen Nederlandse provincie

Ga naar overzicht

Deel op:

p 2 juli 2015 bestaat de Nederlandse provincie van de dominicanen 500 jaar. Dominicaans huishistoricus Guus Bary bestudeerde de bulle van de oprichting van 'Germania Inferior’ en voert ons terug in de tijd.

door Guus Bary

Dit is een ingekorte versie van een artikel uit het papieren Bulletin van de dominicanen van deze maand. Het is hier volledig te downloaden: 500 jaar Nederlandse broeders

De dominicanen bereiden zich voor op het 800-jarig bestaan in 2016. Maar de datum van 2 juli 2015 mag niet ongemerkt voorbijgaan. Op die dag is het precies vijfhonderd jaar geleden dat officieel de ‘Nederduitse ordesprovincie’ of Germania Inferior werd opgericht, een benaming die in 1946 om begrijpelijke redenen veranderd is in ‘Nederlandse provincie van de orde der dominicanen’. Tot 1515 hoorden de kloosters in de lage landen bij de provincies ‘Teutonia’, ‘Saxonia’ of ‘Francia’.

Tot halverwege de 16e eeuw bestond het begrip ‘Nederlanden’ nog niet. De lage landen bij de zee waren rond 1500 een aaneenschakeling van heerlijkheden, graafschappen, hertogdommen, geestelijke vorstendommen en min of meer onafhankelijke boerenrepubliekjes.

Het zou tot 1543 duren voordat alle Nederlandse gewesten – op prinsbisdom Luik na – onder Karel V een samengestelde ‘staat’ kwamen, bekend als de Zeventien Verenigde Nederlanden.

Deel uit de bulle waarin de namen van de betrokken kloosters staan.

De meeste kloosters die de nieuwe provincie vormden lagen in het Heilig Roomse Rijk van de Duitse Natie. In de bul worden 26 kloosters genoemd. In het huidige België en Noord-Frankrijk waren dat Gent, Rijsel (=Lille), Valencijn (=Valenciennes), Dowaai (=Douai), Brugge, Ieper, Bergen, lees: St. Winoksbergen (=Bergues), Atrecht (=Arras), Omaars (=St. Omer), Antwerpen, Leuven en Brussel. In het huidige Nederland waren dat Utrecht, Haarlem, Zierikzee, ‘s-Gravenhage, Rotterdam, Nijmegen, Zutphen, Leeuwarden, Groningen, Zwolle, Winsum, ‘s-Hertogenbosch, Maastricht. Ook het klooster in Kalkar, nu in Duitsland gelegen, hoorde erbij.

Van de 26 waren er 19 gesticht in de dertiende eeuw, de periode van de opkomst en bloei van de orde. Tussen 1303 en 1515 waren er zeven nieuwe stichtingen bijgekomen. De stagnatie kwam door de pest in Europa, maar ook door verslapping in leefwijze en tucht. Veel broeders leidden buiten de kloosters een min of meer individueel en zwervend bestaan.

germania-inferior-kaart1515

De kloosters van de predikbroeders ontstonden vooral in de grootste handelssteden. De broeders bedienden de gebieden daar omheen, die ze in één dag konden belopen, om er te preken en te bedelen. Tijdens de kapittels werden de grenzen tussen de kloosters afgesproken.

Er was voortdurend getouwtrek binnen en tussen de kloosters en groepen van kloosters. Er waren observantiebewegingen, die nadruk legden op precieze navolging van koorgebed, tucht, studie en armoedebeleving. De moderne devotie in Nederland was zo’n beweging. De predikbroeders kenden de Hollandse Congregatie, met een eigen vicaris, die in Nederland en daarbuiten gaandeweg veel invloed kreeg.

De twee belangrijkste factoren voor de oprichting van Germania Inferior waren de politiek van de Franse en ‘Duitse’ vorsten en genoemde interne richtingenstrijd. De vorsten streefden naar meer centraal bestuur en wilden zo min mogelijk buitenlandse oversten in de kloosters van hun rijk.

In de bulle worden nog twee factoren genoemd voor de oprichting, te betitelen als verbetering van de infrastructuur en de taal. Voor visitatie door provinciaals werden de afstanden werden zo kleiner. Daarnaast verbond de nieuwe provincie kloosters in gebieden waar inmiddels het Nederfrankisch en Nedersaksisch waren ontstaan, terwijl in Teutonia en Saxonia respectievelijk Hoogduits en Middelsaksisch werd gesproken.

In de bulle wordt gesproken over andere takken van de dominicaanse familie, verschillende zusterkloosters. Als zij ook ‘gereformeerd’ waren, konden ze mee overgaan. Met dat woord is niet het latere gereformeerd bedoeld, maar observant. De woonplekken worden niet met name genoemd, maar we weten zeker dat kloosters in Leiden, Roermond, Tiel-Westroyen, Wijk bij Duurstede en Ouderghem (B) meegingen.

Overigens duurde het tot 1522 voordat alle 26 kloosters in de nieuwe provincie waren opgenomen, vanwege strubbelingen met kloosters in Noord-Frankrijk en met individuele broeders.

De richtingenstrijd bij de dominicanen werd in 1515 op een knappe manier beslecht. Andere orden kennen nog altijd meerdere groepen, zoals in ons land bij de franciscanen de ‘gewone’ minderbroeders, de conventuelen en de kapucijnen bestaan. Maar de dominicanen bleven één orde vormen.

Deel van het vijfluik met de namen van de provinciaal oversten vanaf 1515.

Op het provincialaat in Berg en Dal hangt een schitterend vijfluik – afkomstig uit het Albertinum – met de namen van de provinciaals. Bovenaan is te zien dat de eerste provinciaals afkomstig waren (filius) van respectievelijk Utrecht, Den Haag, Antwerpen, Kalkar, Gent, Utrecht, Antwerpen, Den Bosch.

Godfried van Mierlo o.p.

Van 1559-1571 was bisschop Godfried van Mierlo van Haarlem provinciaal overste. Dat was midden in de periode van de Opstand en de Beeldenstorm. Tussen 1574 en 1600 werden de broeders van elf van de dertien kloosters in Nederland verdreven of gedwongen overgegaan naar de Reformatie. In Den Bosch bleef een klooster tot 1629. Van de kloosters in het huidige Nederland bleef alleen Maastricht bestaan, tot de Franse Revolutie eind achttiende eeuw.

Dat wil niet zeggen dat er helemaal geen kloosterlingen blijven. In Nijmegen trekt een predikant in het klooster maar blijven er bijvoorbeeld twee lekenbroeders als portier en kok, tot de laatste in 1620 overlijdt. Ook komen broeders als missionarissen terug, vanuit de zuidelijke Nederlanden of Kalkar.

Aanwijsbaar is als eerste statie Schiedam, in 1616. Het vormt het begin van de latere staties in de Noordelijke Nederlanden. Waar geen kloosters meer zijn, gaan de broeders naar plaatsen waar ze ooit termijnhuizen hadden. Broeders die onderweg waren konden daar slapen. Zo kende het vroegere klooster van Haarlem termijnhuizen in Amsterdam, Alkmaar, Leiden en Purmerend. Dat zou verklaren dat daar of in de buurt (De Goorn) staties zouden komen.

In 1680 is er een reorganisatie, waarbij de Noord-Franse kloosters bij de Franstalige Belgisch-Gallische provincie komen. Er blijven veertien kloosters over: tien in het huidige België (Luik niet), Maastricht, Sittard, Luxemburg en Kalkar. Daarnaast zijn er in dat jaar in overwegend protestants Nederland in 19 woonplaatsen staties.

In de periode 1794-1802 moeten de Zuidelijke Nederlanden het ontgelden door het kloosterverbod van de Duitse keizer Jozef II. Ook Kalkar werd geseculariseerd.

gods-predikers-grootIn 1815 worden Nederland en België staatkundig één Verenigd Nederland en er mogen weer kloosters worden opgericht. In 1830 splitsen Nederland en België zich en in 1860 zijn er in de twee lage landen genoeg kloosters om eigen dominicaanse provincies te stichten. Germania Inferior of Nederduitsland blijft voor Nederland gelden.

In 1853 mogen de Nederlandse katholieken weer bisschoppen hebben. Veel dominicaanse staties en parochies worden kloosters van de orde. De geschiedenis van de laatste twee eeuwen is uitgebreid beschreven in Gods Predikers van Marit Monteiro.

*

Dit is een ingekorte versie van een artikel uit het papieren Bulletin van de dominicanen van deze maand. Het is hier volledig te downloaden: 500 jaar Nederlandse broeders

Zie ook: Kaart van Dominicaans Nederland