26 Oktober 2011

'Madame Dominicains'

Ga naar overzicht

Deel op:

a 500 dagen onder een tijdelijke regering (een wereldrecord!) zullen de Belgen binnenkort een nieuwe regering hebben. Die heeft als opdracht nog maar eens een staatshervorming door te voeren waarmee onder meer het moeizame samenleven van Vlamingen en Franstaligen wordt geregeld. De Vlaamse dominicaan Jos Smeets kan er over meepraten.

Jos Smeets o.p.

Het gebeurt niet vaak, maar soms ben ik alleen thuis: als namelijk mijn medebroeders 'op pastoraatstocht zijn’, zoals wij dat in ons kerkelijke jargon met een knipoog zo mooi zeggen.
Vandaag was zo’n dag. Tien voor zeven ’s avonds. Hét uitgelezen moment om ons, paters, te bellen. We zijn dan immers bezig de tafel af te ruimen, terwijl het nog te vroeg is voor het journaal van zeven.

'Hallo?’

(Wat nu volgt is een zo getrouw mogelijk vertaalde weergave van een gesprek waaraan ik tot op vandaag kop noch staart kan krijgen.)

Vrouwenstem (in haar beste Frans): 'Spreek ik met Monsieur Dominicains?’

Ik (eveneens in mijn beste Frans): 'Pardon? Ik versta u niet.’ (We moeten dringend onze telefooncentrale eens laten nazien).

Vrouwenstem: 'Ik ben hier in Knokke komen wonen en zou graag … (onverstaanbaar. Zei ze soms: … “iets voorstellen?”)’

Ik: 'Ik versta u niet, mevrouw.’

Vrouwenstem: 'Bent u Monsieur Dominicains? Kan ik Madame Dominicains even spreken?’

Ik: 'Ik ben Dominicain, ja, maar er woont hier geen mevrouw Dominicains. Wilt u soms spreken met de Soeurs Dominicaines? Die zijn hier in Knokke ook niet.’

'… ?’ (Vrouwenstem houdt verwonderd even de adem in). 'Maar u bent Monsieur Dominicains?’

Ik (op zoek naar een manier om dit misverstand eindelijk op te lossen): 'Ik ben Monsieur Dominicains niet. U belt nu met de Pères Dominicains. Wij wonen hier in een huis, een klooster. Naast de kerk.’

Vrouwenstem: 'Een wát?’

Ik (ongeduldig): 'Een klooster. Un couvent’. Wij zijn niet getrouwd. Er is hier geen Madame Dominicains!’

Aan haar zwijgen hoor ik dat zij er nu nog minder van begrijpt.

'Bent u katholiek?’ vraag ik haar in een didactische poging om haar te laten putten uit haar algemene kennis, maar ook deze vraag komt bij haar niet aan. 'Komt u uit een katholiek-godsdienstig land?’

Het woord 'katholiek’ schijnt zij al evenmin te kennen, maar ze vermoedt dat het iets heel persoonlijks en intiems moet zijn en dat zij, zonder het te weten of te willen, wel eens mijn religieuze gevoelens gekwetst kon hebben. In ieder geval verandert plotseling de toon van haar stem.

'Excuseer,’ klinkt het ineens respectvol onderdanig, 'Excuseer. Ik wens u nog een goede avond.’

Aan de eerste medebroeder die thuis komt (op een bepaald ogenblik komen ze allemaal, vermoeid maar tevreden, weer naar huis terug), vertel ik het verhaal van die vreemde telefoon. Ook hij kan me niet wijzer maken.

En dus zullen we wel nooit weten welke belangrijke mededeling of welk mooi of nuttig product Madame Dominicains misgelopen is.

Gelukkig is er nog de moraal van dit verhaal. Of, zoals elke goede missionaris je uit zijn of haar rijke ervaring zal leren en elke Belgische politicus die de staatshervorming steunt je voortaan zal inprenten: 'Wie met de plaatselijke bevolking in contact wil treden en van haar iets wil verkrijgen, leert eerst toch maar best de cultuur en de godsdienst van die mensen kennen en doet vooral een inspanning om hun taal te leren spreken.’

Ach, laat België, met zijn zes regeringen, ook in de toekomst toch maar het land van het surrealisme van Magritte blijven.