12 Juni 2011

8. Bloei en uitbreiding

Ga naar overzicht

Deel op:

et verdere verhaal van deze begintijd is dan ook een successtory. De toeloop naar de nieuwe stichting was enorm. In 1270, bijna zestig jaar na het officiële begin, telde de dominicanenorde ongeveer tienduizend leden.

Ze had zich toen al verbreid over heel West-Europa tot in Polen, de Balkan en Scandinavië toe. Bovendien missioneerden dominicanen onder de Koemanen, de Pruisen, de Finnen, de Oekraïners, onder Armeniërs en Moslims. Er werden daartoe studiehuizen opgericht om vreemde talen te leren.

Tweede orde
Ook het aantal vrouwelijke volgelingen van Dominicus groeide snel. Dat leverde voor de mannelijke en de vrouwelijke tak van de orde een probleem op dat eigenlijk nooit goed kon worden opgelost. Met name de leden van de zogenaamde tweede orde, de slotzusters of monialen, die de deur niet uitkwamen, wilden geestelijke leiding en verzorging zo veel mogelijk door medebroeders. Maar deze laatsten voelden dat als een ondragelijke last die hen afhield van andere zielzorgelijke of studieuze activiteiten die zij terecht of ten onrechte voor noodzakelijker hielden. Als de vrouw in de katholieke kerk dezelfde mogelijkheden had gekregen als de man, zou dit probleem zich noch in de kerk noch in de orde hebben voorgedaan.

Derde en vierde tak
Vele niet-kloosterlingen, mannen en vrouwen, voelden zich eveneens tot de orde aangetrokken. Naar middeleeuwse trant organiseerden zij zich in &broederschappen’ waaruit de zogenaamde &derde Orde’, (de naam dateert van 1484), ontstond. Uit deze &wereldlijke’ derde orde ontstond weer een kloosterlijke derde orde, overigens alleen voor vrouwen, die zich met onderwijs, ziekenverpleging, missionering, sociaal werk en dergelijke bezighouden.
Deze takken zijn nog in de middeleeuwen alle uit de ene stam gegroeid en bestaan in een of andere vorm tot op vandaag.

Klik hier om verder te lezen.