Kopstukken

Johannes Tauler, uit de schaduw van Eckhart

Leestijd 6 min.

ominicaan Johannes Tauler (1300-1361) is met het populair worden van Meister Eckhart in de schaduw komen staan van zijn leraar. Leo de Jong o.p. schetst in onze serie kopstukken een portret van een 'diepzinnige en op mensen betrokken confrater’.  

Over het leven van Tauler is weinig met zekerheid bekend. Hij werd geboren rond 1300 in een aanzienlijke familie, die behoorde tot de plaatselijke regenten. Hij had een zwakke gezondheid.

In 1315 trad hij in bij de dominicanen in Straatsburg, waar in die jaren ook Meister Eckhart o.p. woonde en werkte. Hij heeft Eckhart dus persoonlijk gekend en heeft waarschijnlijk de introductie in het geestelijke leven van hem ontvangen.

Rond 1325 werd hij tot priester gewijd. Rond 1335 was hij geestelijk begeleider en prediker in verschillende gemeenschappen van dominicanessen en begijnen te Straatsburg.

Omdat de stad Straatsburg in 1339 de keizer steunde in een conflict met de paus, legde Johannes XXII de stad een interdict op, een kerkelijke ban. Hierop trokken de dominicanen naar Basel.

In die jaren ging Tauler ook naar Keulen. Daar zou hij contact hebben gehad met een los groepje gelovigen, dat ook sterk beïnvloed was door de ideeën van Meister Eckhart o.p., de zogenaamde Gottesfreunde.

Het is niet zeker, of hij zijn medebroeder Heinrich Seuse o.p. ooit ontmoet heeft. Het gerucht, dat hij ook de Zuid-Nederlandse mysticus Jan van Ruusbroec bezocht zou hebben, lijkt niet mogelijk.

In 1360 werd Tauler ernstig ziek. Zijn zus, een dominicanes, verzorgde hem in een huisje in de tuin van het klooster van de dominicanessen. Hij stierf op 16 juni 1361 en werd begraven in de kerk van de dominicanen. Op de plaats van dit heiligdom staat nu een lutherse kerk (De Temple Neuf in Straatsburg). Hierin bevindt zich zijn grafsteen.

Spiritualiteit

Beeld aan de protestantse kerk van Saint-Pierre-le-Jeune in Straatsburg.

Tauler was een groot bewonderaar van Eckhart, die hij Lebmeister noemde, in tegenstelling tot theologen, die alleen maar Lesmeisters waren. Maar hij bootste Eckhart niet na. Hij gaf aan diens ideeën een eigen interpretatie en ontwikkelde, hoe je dit in de praktijk kunt omzetten.

Volgens Eckhart-vertaler C.O. Jellema is er nog een wezenlijk verschil tussen Eckhart en Tauler. Eckhart was geen boeteprediker, hij sprak niet over zonde en bekering, zoals zijn veertig jaar jongere confrater wel deed. Maar die leefde dan ook in een andere tijd, met pestepidemieën, natuurrampen en oorlogen.

Voor mij persoonlijk is het lezen van Tauler’s preken vaak een herkenning: O, bedoelde Eckhart dát te zeggen! De briljante ideeënstroom van de preken van Eckhart maakt hij voor mij vaak tot ‘hapklare brokken’.

Zo werd voor Tauler de Zielegrond een zeer belangrijk begrip. Je kunt die min of meer vergelijken met wat Eckhart het Vonkje van de ziel noemt, maar het verduidelijkt het idee wel.

Ook werkt hij in een preek heel treffend uit welk effect de Gelassenheit, het loslaten, zoals Eckhart het noemt, heeft op de relatie tussen God en mens. Hij is het, die voor mij de mystiek van Eckhart soms echt tot ‘mystiek op straatniveau’ maakte.

Nadat bepaalde ideeën van Meister Eckhart o.p. door een pauselijke veroordeling waren getroffen en de preken van Eckhart dus niet meer zo geliefd waren als geestelijke lectuur, werden soms in de uitgave van preken van Tauler preken van Eckhart binnengesmokkeld. Zo kende Maarten Luther de kerstpreken van Eckhart via een uitgave van de preken van Tauler (1522).

Preken

Titelpagina van een uitgave van Taulers preken uit 1522

Vertaler Peter Freens schrijft: ‘Een mysterieuze stilte huist er in de preken van Tauler, een verstilling, waarin ook de lezer zelf opgenomen wordt, steeds plots en onverwacht. Zou het die verborgen stilte zijn, die mensen steeds weer doet grijpen naar de preken van Tauler?’

Hier een paar citaten uit de meer dan tachtig preken van Tauler, die mij geboeid hebben.

‘En dan moet de mens beschouwen de eigenheid van Gods eenzaamheid: in de stille leegte waarin nooit een woord gesproken is of werk gedaan – in het zijn.
Want alles is daar zo stil, geheimnisvol en leeg. Daarin is niets dan de zuivere Godheid. Daarheen kwam nooit iets wat er vreemd is: geen schepsel, geen beeld, geen vorm.
Die eenzaamheid bedoelt onze heer, als hij, door de profeet Hosea, zegt: “Ik wil de Mijnen in de eenzaamheid voeren en daar tot hun hart spreken”. Die eenzaamheid is Zijn stille eenzame Godheid: daarheen voert Hij allen die Gods beloften aannemen, nu en in eeuwigheid.’

‘Tenslotte moet je de goddelijke duisternis beschouwen. Door haar onuitsprekelijke helderheid is ze voor elk begrip, voor alle engelen en mensen, duisternis – zoals de schittering van het zonnewiel het zwakke mensenoog duisternis lijkt’ (Preek 83).

*

‘Wie zover komt, vindt wat hij overal en langs omwegen heeft gezocht. Daar wordt de geest, voorbij de zinnen, in een eenzame wildernis gevoerd waarvan niemand iets kan vertellen, in het verborgen duister van het goede zonder wijze.
Daar komt de geest zo dicht bij de eenheid van de enkelvoudige Eenheid, zonder wijze, dat hij alle onderscheidingsvermogen verliest, zelfs dat voor de verschillende objecten en ervaringen. Want in de eenheid gaat alle verscheidenheid teloor; de Eenheid maakt alle verscheidenheid één.’

‘Welnu, hoe edel en zuiver voorstellingen ook zijn, zij schuiven zich tussen jou en het onvoorstelbare beeld dat God is. De ziel waarin de zon zich wil spiegelen, moet ontbloot en gevrijwaard zijn van beelden, want waar ook maar enig beeld zich in de spiegel vertoont, daar belemmert dit Gods beeld…’
‘De hoogte en diepte die deze mensen in zich ontdekken is met geen enkel verstand of geestvermogen te begrijpen; het gaat boven alle geestvermogens uit tot in een afgrond. (…)

Denken jullie niet dat ik me ook maar enigszins aanmatig dat ik ooit zover gekomen ben, hoewel geen enkele leraar iets zou moeten leren wat hij niet zelf heeft meegemaakt. Toch is het desnoods voldoende dat hij het liefheeft en ernaar verlangt en niets wat daar tegenin gaat. Het kan niet anders, moeten jullie weten.
‘In het zwijgende midden, waarin alle dingen in het hoogste zwijgen zijn en een waar silentium heerst, daar krijg je in waarheid dit Woord te horen. Wil God spreken, dan moet jij zwijgen. Wil God ingaan, dan moeten alle dingen uitgaan’ (Kerstpreek).

*

‘Kijk, als ik geen priester was en niet in een klooster leefde, zou ik het erg prettig vinden schoenen te kunnen maken. Ik zou dat liever doen dan wat ook, want ik zou graag mijn brood willen verdienen met mijn handen. Er bestaat geen arbeid, hoe eenvoudig ook, geen nog zo bescheiden handvaardigheid, waar de mensen op neerkijken, of ze komt geheel van God en is een bewijs van Zijn bijzondere gunst’ (Preek nr 11 en 47).

Leo Raph. A. de Jong o.p.

*

Bronnen voor dit artikel:
PETER FREENS: Johannes Tauler. De Preken. Vertaald en geannoteerd. E-boek. Sittard, 2015.
C.O. JELLEMA: Heinrich Seuse, het boek van de Waarheid. Johannes Tauler: preken. Historische uitgeverij, Groningen,2004.
EMMANUEL JUNGCLAUSSEN: Uit preken van Tauler. De innerlijke grond. Gottmer, Haarlem, 1976.
ALOÏS HAAS en THOMAS BINOTTO: Meister Eckhart, op zoek naar de goddelijke essentie. Synthese, 2016, blz.64.

*

Eerder verscheen:
‘Mijn medebroeder Johannes Tauler zei…’
Henricus Suso (Heinrich Seuse) (1295-1366)