Kopstukken

Dietrich von Freiberg (plm. 1243-1317)

Leestijd 6 min.

ij stond aan het begin van wat wij nu de 'dominicaanse Rijnlandse mystiek’ noemen, maar werd evenzeer vergeten als zijn leerling Meister Eckhart. Tijd voor eerherstel voor deze dominicaan en vrije denker, vindt Leo de Jong o.p. in deze longread. 

Ik had nog nooit van deze dominicaan gehoord, totdat ik zijn naam las in een artikel van Marcel Braekers o.p. Hij wekte mijn nieuwsgierigheid.

Tot mijn verbazing bemerkte ik dat Dietrich von Freiberg mede aan het begin stond van wat wij de dominicaanse ‘Rijnlandse mystiek’ noemen. En bovendien dat hij leraar, collega en vriend was van Meister Eckhart o.p.

Was hij een mysticus of een filosoof/theoloog? Dat is duidelijk een vraag die hen in die tijd absoluut niet bezig hield.

Zelf deden zij onderzoek op gebieden, die wij tegenwoordig onder de wetenschappen natuurkunde of botanica zouden plaatsen. De ‘doctor universalis’: Albertus de Grote (1200-1280) was hen hierin voorgegaan. Dit alles vanwege hun intense nieuwsgierigheid naar ‘De Werkelijkheid’. En dus naar God, die zich in deze totale Werkelijkheid liet vermoeden of zien.

Dan is de vraag of zij mystici, filosofen of natuurkundigen zijn niet meer belangrijk. Dat zijn schema’s die in onze tijd zijn opgesteld, maar niet passen op hun gedachtewereld. Zij hielden zich bezig met wat genoemd kan worden: ‘De metafysische structuur van de Werkelijkheid’ (*).

Dominicanenklooster in Freiberg.

De orde van de Dominicanen bestaat nog maar net (1216), maar nu al is er een klooster in de tamelijk belangrijke stad Freiberg, in het Duitse Saksen.

Dietrich stamde uit een voorname patriciërsfamilie. Des te opvallender is het, dat hij lid werd van die pas ontstane bedelorde en niet van een van de gerenommeerde oudere ordes. Of zijn familie stond te juichen? We weten het niet.

Dietrich werd dominicaan in dat klooster van Freiberg, en studeerde – waarschijnlijk tussen 1260 en 1270 – filosofie en theologie in de dominicaaanse studiecentra.

In 1271 werd hij lector in het convent van Freiberg, een jaar later vervolgde hij zijn studie op de befaamde universiteit van Parijs. In 1280-1281 was hij lector in het convent van de dominicanen in de stad Trier. Hij ging waarschijnlijk nogmaals naar Parijs, maar werd op 7 november 1293 gekozen tot provinciaal van de Duitse ordesprovincie van de Teutonia. Als zijn vicaris voor het gebied Thüringen koos hij Eckhart, met wie hij vanaf dat moment vaak samenwerkte.

In het academische jaar 1296/1297 kreeg hij op de universiteit van Parijs de titel ‘Magister in de Heilige Theologie’. Hij is dan dus ‘Meister Dietrich’ en heeft in dat jaar waarschijnlijk ook colleges gegeven aan die universiteit, op de plaats die gereserveerd was voor beroemde buitenlandse docenten. Ook dominicanen Thomas van Aquino (gestorven in 1274) en later Meister Eckhart hebben die plaats bekleed.

Wij weten nog van Dietrich, dat hij deelnam aan het provinciaal kapittel van Koblenz (1303), aan het generaal kapittel van Toulouse (1304) en aan het generaal kapittel van Piacenza (1310).

Antiquarisch zoekwerk van de redactie van deze site bracht dit boek uit 2009 aan het licht, geschreven door Karl-Hermann Kandler, uitgever Medienzentrum TU Bergakademie Freiberg (2009), ISBN 978-3-86012-372-0.

In september 1310 werd Meister Eckhart o.p. op het provinciaal kapittel als zijn opvolger gekozen. Maar de generaal had andere plannen met Eckhart. Dus moest Dietrich een nieuwe verkiezing organiseren. Van november 1294 tot mei 1296 was hij ook nog vicaris-generaal en plaatsvervanger van de magister generaal voor de gehele orde, omdat de post van generaal vacant was. De precieze datum van zijn overlijden is niet bekend, maar valt dus na 1310.

Wat mij bij hem opvalt is hetzelfde, waarin ook Meister Eckhart en hun leermeester Albertus de Grote uitblonken: zij zijn tegelijkertijd zeer betrokken bij al de rompslomp van het besturen, maar ook bij het onderzoeken, studeren, publiceren en preken. Multitasken was voor hen blijkbaar heel gewoon! En als je je dan ook nog realiseert, welke afstanden zij in al die functies moesten afleggen, waarschijnlijk meestal te voet…

Wat weten wij over zijn ideeën en geloofsopvattingen? Helaas zijn zijn preken nog steeds niet teruggevonden. Maar wat wij wel weten is al indrukwekkend genoeg.

Het eerste wat opvalt, is dat Dietrich een groot voorvechter is voor geestelijke onafhankelijkheid. Dat maakt hem tot een geleerde, die kritisch staat ten opzichte van de ‘algemeen aanvaarde opvattingen’.

In de orde van de dominicanen is dat in die tijd de groeiende verering voor de theologie van Thomas van Aquino. Verzet tegen dat thomisme was riskant, want in 1279 had het generaal kapittel de dominicanen verboden om nog kritiek te hebben op Thomas, die in 1286 werd uitgeroepen tot dé leraar van de dominicanen.

Vanuit zijn grondige kennis van de filosofie van Aristoteles en anderen raakte Dietrich er echter van overtuigd, dat Thomas – en zeker zijn volgelingen – Aristoteles niet geheel juist hadden geïnterpreteerd.

Kort na 1286 schreef Dietrich, dat hij tot nu toe over een paar brandende vragen had moeten zwijgen, maar dat hij zich nu ging uitspreken. En dit ondanks het feit, dat hij hiermee de communiter loquentes, degenen die met de algemene mening meedeinden, voor het hoofd zou stoten. Hiermee bedoelde hij een paar zeer befaamde Thomisten: Augustinus Romanus, Bernard von Trilia en Thomas van Sutton.

Triomf van St. Thomas van Aquino, ‘Doctor Angelicus’. Fresco van Andrea di Bonaiuto uit 1366, in de basiliek van Santa Maria Novella in Florence.

Dietrich zei, dat dezen zich niet lieten leiden door de kracht van argumenten, maar door hun grote aantal. Dus door de ‘algemene mening’. Dit soort kritiek zal hij blijven uiten, soms heel fel, ook al schreef hij later dat hij zich bewust was van de ‘duistere wolken’, die zijn geschriften hem opleverden.

Zelf is hij heel geboeid geraakt door de kennisfilosofie van Aristoteles. Met name het karakter van de menselijke geest die verschillende lagen kent, onder andere: intellectus possibilis: de totale openheid en ontvankelijkheid van de geest, die in principe alles kan ontvangen; en intellectus agens: het werkzame intellect dat gegevens van buiten omvormt tot begrippen en constructen.

Naar de opvatting van Dietrich is deze intellectus agens vanuit zichzelf zo puur, dat het ‘godvormig’ is, Deiformis. In dit unieke beeld-zijn van God draagt het werkzame intellect in zekere zin God zelf in zich. En dit niet via genade, maar vanuit de eigen natuur.

Hij beschouwde het gehele bestaan als een eenheid en dit inclusief God. God is als een overvloeiende bron; de schepsels zijn dus het uitgevloeide. En deze beweging voltrekt zich steeds – en dus niet alleen tijdens de Schepping als begin – in een voortdurende keer en wederkeer. Alles blijft met elkaar verbonden: God als top van de keten, de geschapen wereld als kralen van een en hetzelfde snoer (*).

Meister Eckhart o.p.

(Later zal zijn leerling Meister Eckhart dit thema tot een van de belangrijke onderwerpen van zijn mystieke theologie maken: de Grond van de menselijke geest en Gods Grond zijn niet slechts verenigd, maar ze zijn één. En ook de eenheid, die God en schepsels verbindt, is een thema, dat bij Meister Eckhart terugkeert: Esse est Deus, het zijn zelf is God(delijk). En de schepping was niet ooit, maar is hier en nu. Zo stond ook Dietrich von Freiberg aan de bron van wat wij nu kennen als ‘de dominicaanse Rijnlandse mystiek’.)

Dietrich toonde zijn geestelijke onafhankelijkheid ook hierin, dat hij niet terugschrok voor de mogelijkheid verdacht te worden van ketterij. Hij pakte beweringen op die in de ‘veroordeling van Parijs’ onder de bedreiging van excommunicatie waren geplaatst en ging er op in, zij het in wat gematigder versie.

Zo kwam hij op voor intellectuele minderheden en voerde een felle, maar loyale oppositie. Ook hierin was Meister Eckhart een goed leerling en vriend van hem, toen hij de ideeën van de begijn Margaréthe de Porréte – als ketter in Parijs verbrand doordat o.a. de dominicaanse inquisiteur Willem van Parijs haar veroordeelde (1310) – opnam en in zijn preken theologisch fundeerde. Ook dat zal later voor Eckhart tot een veroordeling leiden.

Merkwaardigerwijs is Dietrich het meest bekend geworden door een natuurkundig onderzoek, waarvan hij de resultaten op aandringen van de magister generaal publiceerde.

Afbeelding uit ‘De iride’ over de breking van licht en het verschijnsel van de regenboog.

Dietrich verklaarde, hoe het verschijnsel van de regenboog ontstond (De iride). Dit deed hij door zelf te onderzoeken hoe het licht gebroken werd als het door een waterdruppel werd geleid. Zo is dit werk een van de vroege voorbeelden van de experimentele natuurkunde. Pas eeuwen later zou Isaac Newton dit onderzoek hernemen en verbeteren.

Ook publiceerde hij een paar andere natuurkundige werken: Over de kleuren en Over de elementen van natuurlijke lichamen.

Enige tientallen jaren na zijn dood werd Meister Dietrich von Freiberg al ‘vergeten’. Hetzelfde lot zou zijn leerling, vriend en collega Meister Eckhart binnen de orde van de dominicanen overkomen. Tja, dat komt ervan, als je niet meedeint met de ‘algemene mening’.

Pas in de negentiende en twintigste eeuw werden zij weer in hun grootsheid ontdekt, maar dit gebeurde vooral door mensen buiten de orde! Zou juist het herdenken van het achthonderdjarig bestaan van de orde niet een mooie gelegenheid zijn om deze ‘grensgangers’ weer met ere in onze eigen geschiedenis te vermelden? Dat was in ieder geval de bedoeling van mijn verhaal.

Leo Raph. A. de Jong o.p.

*

Bronnen:

Het aangehaalde artikel van de Vlaamse dominicaan en Eckhartkenner Marcel Braekers staat in het nieuwe nummer van TGL, Tijdschrift voor Geestelijk leven.

Veel gegevens voor dit artikel zijn ontleend aan de Duitse versie van Wikipedia, waar een uitgebreide reeks artikelen over Dietrich von Freiberg te vinden is, en aan de indrukwekkende Duitse website ‘Eckhart und seine Zeit’.

(*) Zie voor meer informatie over de metafysische structuur van de werkelijkheid deze lemma’s van de Stanford Encyclopedy of Philosophy: The Distinction between God and Creatures en The Hierarchy of being.